|
BAROCKPINTO
STUDBOOK

Home
Informatie
Keuring
Stamboek
Sport
Hengsten Nieuws Contact
English

Inteelt
Inteelt zal binnen ons stamboek geen problemen geven. Doordat wij
een open stamboek zijn en telkens gebruik kunnen maken van warmbloed hengsten die we weer kunnen kruisen op Friese en
Barockpinto merries. Alleen als er in de toekomst Barockpinto's die nauw aan elkaar verwant zijn met elkaar gekruist worden zal er sterk verwante lijnenteelt plaatsvinden. Wij adviseren als stamboek dit niet meer dan één maal in de 3 generaties toe te passen. Het voordeel van deze lijnenteelt is dat er meer kans is op
homozygote paarden die hoog in het Type en bloed staan. Voor bloedverversingen adviseren wij als stamboek gebruik te maken van ggk warmbloed dekhengsten om het percentage XX (volbloed) binnen onze fokkerij op peil te houden.
Onze
fokcommissie is van mening dat we telkens voldoende bloed moeten durven
gebruiken. Barockpinto's met minder dan 37.50% vreemd bloed scoren ruim boven
het gemiddeld op rastype.
Andere
interessante artikels over inteelt, kruizen en fokkerij:
Waarom
tenminste 15 hengsten en 100 merries?
Van
de Commissie Erkenningen en Toezicht Paardenfokkerij.
In artikel 2 van het Reglement Erkenningen Fokkerijorganisaties Paardachtigen
wordt onder sub. g. gesteld dat een organisatie of vereniging kan worden
erkend indien deze "over voldoende paardachtigen kan beschikken om een
programma voor rasverbetering en rasveredeling te kunnen uitvoeren of om de
instandhouding van het ras te kunnen garanderen, waarbij van een minimum
fokpopulatie aan paardachtigen wordt uitgegaan van tenminste 15 mannelijke en
100 vrouwelijke levende dieren.
Waarop
zijn de aantallen van 15 hengsten en 100 merries gebaseerd?
Het antwoord is dat wanneer de
populatieomvang onder deze grenzen komt de inteelttoename te groot wordt met
alle risico's van dien. Hieronder zullen we deze risico's nader toelichten.
Wat is inteelt?
Van inteelt is sprake als twee
verwante dieren met elkaar gepaard worden. Dus als een merrie wordt gedekt
door een hengst die familie van haar is, dan is het veulen ingeteeld. De
inteelt is sterker naarmate de merrie en hengst nauwer verwant zijn. De mate
van inteelt kan worden weergegeven d.m.v. de inteeltcoëfficiënt (F). Dit is
een getal tussen nul en één of tussen nul en honderd procent. Een voorbeeld:
wanneer een merrie en hengst halfzus en halfbroer van elkaar zijn (ze hebben
b.v. dezelfde vader, maar een verschillende moeder), dan is van het veulen
geboren uit deze combinatie, de inteeltcoëfficiënt F = 0,125 ofwel 12,5%.
Als de gemeenschappelijke vader echter zelf ook al ingeteeld is, b.v.
F",der= 0,25 dan wordt de inteelt van ons veulen 0,125 x (1 + 0,25) =
0,156 ofwel 15,6%. We zien in dit voorbeeld dat de inteeltcoëfficiënt van
een nieuwe generatie voortbouwt op de inteeltcoëfficiënt van de vorige
generatie. Dus door in een populatie steeds verwante dieren met elkaar te
paren neemt de gemiddelde inteeltcoëfficiënt van de dieren in de populatie
toe.
Is inteelt nadelig?
Inteelt is niet altijd nadelig,
maar er kleven wel grote risico's aan! Om dit in te zien moeten we eerst
kijken naar de genetische achtergrond van inteelt. Eigenschappen van dieren
worden bepaald door genen. Elk dier heeft vele tienduizenden genen die in
paren op vaste plekken op de chromosomen (opgebouwd uit DNA) liggen. Van elk
genenpaar in een dier komt één gen van de moeder en één gen van de vader.
De genen binnen een paar noemen we allelen. Kleine verschillen tussen allelen
kunnen soms grote gevolgen hebben voor het effect van een genenpaar op b.v.
haarkleur of gezondheid. Als allelen identiek zijn dan is het dier homozygoot
voor dat genenpaar. Wanneer een merrie en een hengst een gemeenschappelijke
voorouder hebben dan is er een kans dat ze allebei dezelfde allelen hebben geërfd
van die voorouder (daarom zijn merrie en hengst immers familie van elkaar).
Als ze deze identieke allelen nu ook allebei weer doorgeven aan hun
nakomeling, dan is die nakomeling homozygoot voor het betreffende genenpaar.
De eerder genoemde inteeltcoëfficiënt F geeft weer hoeveel
procent van de genenparen in een dier homozygoot is door paring van verwante
dieren (ten opzichte van een basispopulatie). Nu kan het natuurlijk heel goed
zo zijn dat die twee identieke allelen afkomstig van de gemeenschappelijke
voorouder een gewenst effect veroorzaken. Dan heeft inteelt dus voordelen en
soms wordt daar ook bewust op ingespeeld in de zogenaamde lijnenfokkerij . Er
zijn echter ook risico's aan inteelt verbonden. Elk dier heeft naast gewenste
ook minder gewenste allelen. Van veel ongewenste allelen merken we niet veel
zolang deze in enkelvoud voorkomen en als het ware gecompenseerd worden door
een gewenst allel op hetzelfde genenpaar. Het dier is dan heterozygoot en
alleen maar drager van het ongewenste allel. Door inteelt kan een dier echter
toevallig twee kopieën van een ongewenst allel van een voorouder ontvangen.
Deze ongewenste allelen kunnen verantwoordelijk zijn voor zogenaamde erfelijke
ziekten en afwijkingen waarvan we er in de paardenfokkerij een groot aantal
kennen (bijvoorbeeld comage, niet afgedaalde testikels, navelen liesbreuken,
kruislamheid, hersenafwijkingen en beenafwijkingen).
Een ander nadeel van de toenemende homozygotie die bij inteelt optreedt, is de
mogelijke inteeltdepressie. Bij heterozygotie (dus twee verschillende allelen
binnen een paar) is het vaak zo dat de twee allelen samen een groter effect
hebben dan op basis van de som van beide effecten afzonderlijk verwacht kan
worden. We spreken dan van dominantieeffecten (ook wel heterosis genoemd als
het gaat om kenmerken die door vele genen worden bepaald). Vaak zijn dit
positieve effecten die m.n. teruggevonden worden in een betere vruchtbaarheid
en een betere gezondheid. Als een dier voor veel genenparen homozygoot is dan
is de hoeveelheid dominantieeffecten minder dan gemiddeld en spreken we van
inteeltdepressie.
Als derde nadeel van inteelt kan genoemd worden de afnemende erfelijke
variatie. Wanneer veel dieren in de populatie dezelfde voorouder(s)
gemeenschappelijk hebben, dan lijken deze dieren genetisch veel op elkaar. Er
is dan minder genetische variatie aanwezig waardoor er minder mogelijkheden
voor genetische selectie zijn en dus ook minder genetische vooruitgang.
Kunnen de nadelige effecten van inteelt tenietgedaan worden?
In de natuur zullen dieren met
ernstige afwijkingen minder of helemaal niet aan voortplanting toekomen
waardoor de frequentie van ongunstige allelen niet al te veel zal toenemen.
Ook door bewust te selecteren tegen erfelijke afwijkingen kunnen de negatieve
gevolgen van inteelt beperkt blijven. Selecteren is echter alleen effectief
als de inteelt niet te snel toeneemt, als er voldoende dieren zijn om uit te
kiezen (ook om voldoende selectiemogelijkheden te hebben is de
populatiegrootte van belang!) en als de gevolgen van inteelt zich uiten. Als
dieren b.v. gevoeliger zijn geworden voor ziekten, maar er zijn geen
ziekteverwekkers, of als de verzorging van de dieren erg goed is, dan zien we
(nog) geen gevolgen van inteelt en kunnen we er ook niet tegen selecteren.
Verder moeten we bedenken dat selecteren tegen erfelijke afwijkingen ten koste
gaat van de selectiemogelijkheden op andere kenmerken en daarmee indirect dus
ook geld kost.
Wat heeft inteelt te maken met de grootte van de
populatie?
In een kleine populatie treedt
vanzelf inteelt op doordat vroeg of laat verwanten met elkaar gepaard worden.
Door bewust zo lang mogelijk paring van verwanten uit te stellen is de
inteelttoename kleiner dan bij paringen volgens toeval of bij bewuste paring
van verwanten. Inteelt kan echter niet voorkomen worden. In een grote
populatie is de kans dat (nauwe) verwanten met elkaar paren kleiner dan in een
kleine populatie en daarom is de inteelttoename in een grote populatie kleiner
dan in een kleine populatie. Dat wil echter niet zeggen dat in grote
populaties geen inteelt kan optreden. Ook in grote paarden- of ponypopulaties
worden in de praktijk bewust familieparingen uitgevoerd. Ook kan een beperkt
aantal hengsten veel worden gebruikt.
Bij paring volgens toeval kan de inteelttoename per generatie in een populatie
als volgt berekend worden:
Bij een populatie van 15 hengsten en 100 merries wordt volgens deze formule
een inteelttoename geschat van bijna 1% per generatie. Dit geldt echter alleen
als alle dieren en hun nakomelingen evenveel kans hebben om aan de
voortplanting deel te nemen. Als enkele hengsten veel vaker mogen dekken dan
andere (selectie!) en/of als van bepaalde hengsten relatief veel nakomelingen
worden aangehouden, dan stijgt het inteeltpercentage aanzienlijk sneller dan
de formule aangeeft. Daar kan tegenover staan dat door bewuste vermijding van
paring van verwante dieren de inteelttoename iets lager kan uitvallen dan de
formule aangeeft.
De formule laat ook zien dat bij een gangbare populatieopbouw 1 hengst minder
niet gecompenseerd kan worden door 1 merrie meer. Bij gebruik van 14 hengsten
zijn 91 merries extra nodig (dus 191) voor dezelfde inteelttoename als bij 15
hengsten en 100 merries. Bij slechts 13 hengsten lukt het zelfs niet om door
extra merries de inteelttoename op het niveau gehouden worden van dat van 15
hengsten en 100 merries.
Die 1 % inteelttoename per generatie is een vrij algemeen aanvaarde norm
waarboven een populatie bij voorkeur niet moet uitstijgen. De kans op
afwijkende dieren wordt dan op den duur te groot (dit heeft ook een ethische
kant!) en de gevolgen van inteelt kunnen dan via selectie niet meer voldoende
gecompenseerd worden. Let wel, de gestelde 15 hengsten en 100 merries geven
geen garantie dat inteelt niet plaats kan vinden. Door maar een paar hengsten
echt te gebruiken of door toelating van paringen van verwanten is
inteelt nog steeds mogelijk. Het enige wat met de gestelde ondergrenzen wordt
bereikt is dat vermijding van te grote inteelt(gevolgen) mogelijk is.
De ondergrenzen van 15 hengsten en 100 merries per populatie gelden uiteraard
alleen voor een moederstamboek. Voor een dochterstamboek kunnen lagere
aantallen gehanteerd worden. Er kunnen immers voldoende hengsten (en merries)
vanuit het moederstamboek in het dochterstamboek worden ingezet.
Genenbank paardenEr bestaat in Nederland een
genenbank voor landbouwhuisdieren. Deze in 1994 opgerichte Stichting Genenbank
Landbouwhuisdieren is toen begonnen als een spermabank voor rundvee. Vanaf
1999 zijn de genenbankactiviteiten uitgebreid met het verzamelen van sperma
van hengsten. Er is toen begonnen met het invriezen van sperma van Gelderse en
Groninger hengsten. Voor kleine moederstamboeken vindt een voortdurende
aanvulling van de spermavoorraad plaats met sperma van nieuwe voor de
populatie betekenisvolle hengsten. Het ingevroren sperma wordt in principe
niet gebruikt voordat de hengst waarvan het sperma afkomstig is 20 jaar oud is
of geweest zou zijn. Het kan eerder worden gebruikt als zich calamiteiten
hebben voorgedaan. Vooral voor de kleine populaties, met een
moederstamboek-status kan de genenbank een foktechnische ondersteuning
betekenen als er een onverhoeds een situatie van een 'genetische trechter'
ontstaat. Het betekent immers een vergroting van het aantal beschikbare
hengsten op dat moment. Bij het plotseling kleiner worden van het aantal
hengsten door ongelukken of dierziektencalamiteiten kan worden teruggevallen
op de spermavoorraad van de genenbank, De genenbank is een soort
levensverzekering vooral voor kleine populaties. Bij een beroep op de
spermavoorraad moet een algemeen belang voor de populatie gediend worden. Er
wordt in het uitgiftebeleid altijd het advies van de foktechnische commissie
van het betreffende stamboek gevraagd. Individuele paringscombinaties die men
wil uitvoeren worden beoordeeld op de betekenis van nakomelingen voor de
populatie. Verzoeken om sperma te leveren uit de genenbank om een commercieel
belang te dienen worden niet gehonoreerd.
Samenvattend.
Hoe kleiner de populatie, hoe
groter de kans op paring van verwante dieren. Door paring van verwante dieren
ontstaat inteelt. Een gevolg van inteelt is dat dieren zogenaamde erfelijke
afwijkingen kunnen gaan vertonen en dat de genetische variatie in de populatie
afneemt.
Om de kans op negatieve gevolgen van inteelt te beperken en om selectie tegen
de gevolgen van inteelt mogelijk te maken, is een minimum populatieomvang
vereist. Een algemeen aanvaarde grens voor de inteelttoename is maximaal 1%
per generatie. Bij een populatieonivang van 15 hengsten en 100 merries is het
mogelijk om de inteelttoename tot deze 1% per generatie te beperken.
Auteurs: Egbert Kanis, Ab Groen en Leffert Elving.
|